29-02-2025
In een principiële uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2009:BG9470) stond de vraag centraal of een mediator zich op een geheimhoudingsplicht kan beroepen om te voorkomen dat zij als getuige wordt gehoord in een gerechtelijke procedure. Deze zaak, die speelde in de context van een echtscheiding, heeft belangrijke implicaties voor de praktijk van mediation en de vertrouwelijkheid.
De zaak draaide om een mediation tussen twee ex-partners, die tijdens hun huwelijk een mediationovereenkomst hadden gesloten. In deze overeenkomst was een geheimhoudingsbeding opgenomen (dit is gebruikelijk), waarin stond dat de mediator geen informatie naar buiten mocht brengen zonder toestemming van beide partijen. Toen de mediation mislukte en de ex-partners voor de rechter belandden, wilde één van hen de mediator als getuige oproepen om te bewijzen dat er tijdens de mediation een mondelinge overeenkomst was bereikt. De mediator weigerde echter te getuigen, en beriep zich op de geheimhoudingsplicht uit de mediationovereenkomst.
De vraag voor de rechter was of de mediator verplicht was om als getuige te verschijnen en vragen te beantwoorden, ondanks de geheimhoudingsplicht. De ex-partner die de mediator wilde oproepen, stelde dat de geheimhoudingsplicht niet gold voor de vraag of er een overeenkomst was bereikt. De mediator en de andere ex-partner voerden aan dat de geheimhoudingsplicht absoluut was en dat de mediator niet verplicht was om te getuigen.
De Hoge Raad oordeelde dat een geheimhoudingsbeding in een mediationovereenkomst kan worden gekwalificeerd als een bewijsovereenkomst in de zin van artikel 153 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dit betekent dat partijen contractueel kunnen afwijken van de wettelijke regels over bewijsvoering. Echter, de rechter benadrukte dat een dergelijke bewijsovereenkomst niet onbeperkt geldt.
De Hoge Raad overwoog dat de geheimhoudingsplicht van de mediator niet absoluut is. Als de vraag in een gerechtelijke procedure gaat over de totstandkoming van een overeenkomst, kan de mediator zich niet op de geheimhoudingsplicht beroepen om te weigeren hierover te getuigen. Dit sluit aan bij de jurisprudentie over het verschoningsrecht van notarissen en advocaten, die ook verplicht zijn om te getuigen over de vraag of er een overeenkomst is gesloten.
Deze uitspraak heeft belangrijke lessen voor de praktijk van mediation:
De uitspraak van de Hoge Raad benadrukt het belang van vertrouwelijkheid in mediation, maar maakt ook duidelijk dat deze vertrouwelijkheid niet absoluut is. Als de vraag in een gerechtelijke procedure gaat over de totstandkoming van een overeenkomst, kan de mediator worden verplicht om hierover te getuigen.
Deze uitspraak is een belangrijke stap in de ontwikkeling van het mediationrecht en biedt duidelijkheid over de rechten en plichten van mediators en partijen in gerechtelijke procedures. Het onderstreept het belang van goede afspraken en transparantie in mediationprocessen, zodat vertrouwelijkheid en rechtszekerheid hand in hand kunnen gaan.
Heb je vragen over mediation of heb je een mediator nodig? Neem dan contact op met mr drs. Y.M. Bérénos op y.berenos@groenendijk.com om de mogelijkheden te bespreken.